| |
ACCU MET ACCUSCHAKELAAR
Zelfs voor een beperkte installatie is het gebruik van een separate licht- en startaccu zeer aantrekkelijk. Als tijdens het gebruik van stroom uit de lichtaccu geen verbinding tussen licht en startaccu bestaat, blijft de startaccu altijd vol en beschikbaar voor het starten van de motor.
GESCHEIDEN START- EN LICHT ACCU MET SCHEIDINGSRELAIS
Een scheidingsrelais is een speciaal voor dit doel vervaardigd relais, dat tijdens het draaien van de motor de tweede accu (de lichtaccu) aan de dynamo verbindt. Het relais wordt in de regel aangestuurd door de zogenaamde "D+" aansluiting van de dynamo en heeft een voorziening ("blusdioden") om beschadiging van de dynamo-laadregelaar te voorkomen.
De spoelaansluitingen van het scheidingsrelais hebben een vaste polariteit: de plus-aansluiting van de relais-spoel dient aan de "D+" aansluiting van de dynamo of het laadstroomcontrolelampje te worden aangesloten.
Het scheidingsrelais heeft een beperkte capaciteit voor de te geleiden stroomsterkte. De beperking in stroomsterkte is er de oorzaak van dat een scheidingsrelais minder geschikt is in installaties met grote elektromotoren als boegschroef, lieren en powerpacks: de relaiscontacten zullen worden overbelast. Ook wanneer bij een installatie met twee motoren eerst één motor wordt gestart en daarna de tweede, is een scheidingsrelaistoepassing niet aan te bevelen. De specialisten bij TOP Systems kunnen u hierin adviseren.
Een BOSCH-dynamo of een andere wisselstroom-dynamo met D+ aansluiting, sluit U aan overeenkomstig de tekening. De D+ aansluiting verbindt U aan klem 86 van het scheidingsrelais. Dat is de plus-aansluiting van de relaisspoel.
Bij MITSUBISHI en HITACHI wisselstroomdynamo's treft U een aansluitklem met de vermelding "L" aan.
Die aansluiting gaat naar het laadstroomcontrolelampje, dat niet de functie heeft zoals hiervoor omschreven. Hier is het laadstroomlampje slechts een indicator voor het begin van het laden. U kunt aan die aansluiting parallel de plus van de scheidingsrelaisspoel (klem "86") verbinden.
Indien -om welke reden dan ook- een scheidingsrelais moet worden gebruikt terwijl tóch een zware verbruiker wordt toegepast, dan is het mogelijk om dit te realiseren met een groot scheidingsrelais. Zo'n relais zal dan continu enkele honderden Ampère moeten kunnen geleiden. Dit is leverbaar in 12 en 24 Volt; raadpleegt U daarover Uw TOP-dealer.
Bij het grote scheidingsrelais bestaat het gevaar dat de dynamo-laadregelaar door de spoel van het relais wordt beschadigd. Daarom moet er een hulprelais met blusdioden worden gebruikt om de regelaar te ontzien. Een schets van zo'n installatie treft U onderstaand aan.
GESCHEIDEN START- EN LICHTACCU MET DIODENBRUG
Een diodenbrug heeft als belangrijkste voordeel dat er een absolute scheiding is tussen de batterijensets, onder alle omstandigheden. Het is zelfs mogelijk om eenvoudig drie accubanken met een diodenbrug te laden.
Een diodenbrug geleidt de laadstroom van dynamo of acculader naar de beide accusets. Dit gebeurt via twee of meer dioden, die als het ware een "terugslagklep" zijn voor de laadstroom: er is maar één doorlaatrichting voor de stroom hetgeen het woord "halfgeleider" verklaart. Hierdoor kan er geen stroom lopen van startaccu naar lichtbatterij en omgekeerd.
Er is echter één moeilijkheid die steeds moet worden overwonnen: de laadspanning zakt ongeveer 0,6-0,7 Volt over de sperdioden.
Op het compenseren van het spanningsverlies komen we later terug. Voor de verschillende soorten dynamo's is de aanpassing ook weer anders. Een oplossing is er echter altijd: we laten de laadregelaar via een extra diode gewoonweg een spanning meten die 0,6 Volt lager is. Enkele fabrikanten leveren zelfs aangepaste regelaars voor gebruik met een diodenbrug; er zijn ook dynamo's die met een opgebouwde diodenbrug kunnen worden geleverd.
De diodenbrug leent zich ook goed voor het laden van twee accusets via een automatische acculader met "IU-regeling". Ook hier komen we later op terug. Een aantal laders heeft soms wel ingebouwde sperdioden, zodat een tweede accuset direct kan worden aangesloten.
We moeten wel goed bedenken dat de sperspanning van de diodenbrug in het geval van één zeer lege accu tegelijk met een beperkte laadcapaciteit gevolgen heeft voor de lading van de tweede -niet zo lege- accu. Bij aanvang van de lading gaat de diode naar de lege accu geleiden, op het moment dat de aangeboden laadspanning over de diode 0,6 Volt boven de batterijspanning komt. Door de spanningsval als gevolg van de relatief grote laadstroom naar de lege accu, zal de spanning na de tweede diode voor de vollere batterij nog niet 0,6 Volt boven die batterijspanning uitkomen. In dat laatste geval wordt de goede batterij nog niet geladen. Dat komt pas als de lege batterij een zodanige laadstroom opneemt, dat de spanning over de tweede diode hoog genoeg is om te gaan geleiden.
Dit betekent dat de lege batterij ervoor zorgt dat die ook eerst het meest geladen wordt, maar dan niet meer dan tot het niveau van de tweede of tot het moment dat het spanningsverschil over de tweede diode 0,6 - 0,7 Volt wordt. Men hoort wel eens zeggen dat in het geval van diodenbruggen eerst de lege accu en daarna de volle pas geladen wordt. Dit is slechts ten dele waar. Zodra de laadcapaciteit van de dynamo/acculader groot genoeg is gekozen, zal dit NIET gebeuren en worden beide accu's wél gelijktijdig geladen.
KEUZE VAN EEN DIODENBRUG
Er zijn diodenbruggen beschikbaar voor twee of drie accusets. Voorts is de maximum laadstroom van belang. De aanduiding op de diodenbrug geeft de maximum laadstroom aan voor gebruik met een dynamo in een voertuig. Men gaat er dan vanuit dat de maximum stroom maar kortstondig wordt geleverd en dat de rijwind van een voertuig het diodenblok koelt. In een schip loopt de maximum laadstroom soms behoorlijk lang en is er geen sprake van rijwindkoeling, daarom houden we het volgende aan:
70 AMPERE-TYPE DIODENBRUG: voor acculaders en dynamo's tot 55 Ampère maximum laadstroom.
120 AMPERE-TYPE DIODENBRUG: voor acculaders en dynamo's van 60 tot 90 Ampère.
160 AMPERE-TYPE DIODENBRUG: voor acculaders en dynamo's van 100 tot 120 Ampère.
AANPASSEN VAN DE DYNAMO VOOR EEN DIODENBRUG
Zoals we reeds eerder noemden, moeten we het spanningsverlies over de sperdioden aan de dynamo compenseren door het verhogen van de afregelspanning van de laadregelaar. We onderscheiden twee belangrijke varianten:
a) De Bosch dynamo met ingebouwde spanningsregelaar, 12- en 24 Volt tot 90 Ampère. b) De Bosch dynamo met losse regelaar en alle overige merken dynamo's met losse, dan wel ingebouwde regelaar.
Bij de BOSCH DYNAMO met ingebouwde regelaar is het niet eenvoudig om de regelaar aan te passen met dioden. De ruimte in de regelaar laat dat niet toe, omdat er twee dioden nodig zijn. Dit is echt een klusje voor de specialist. Voor deze dynamo's hebben we een goede oplossing in de vorm van een vervangregelaar beschikbaar, één van 14,7 Volt en één van 29 Volt. Uw TOP-dealer kan U hierover informeren.
BOSCH-dynamo's met losse regelaar kunnen in de regelaar worden gecompenseerd met een losse diode of een compensatiediode van de diodenbrug. Een andere manier is D+ draad naar de regelaar losnemen van de dynamo en verbinden aan de compensatiediode van de diodenbrug. Ook hier opletten dat de D+ aansluiting van de dynamo op het laadstroom-controlelampje blijft aangesloten.
Als U een dynamo heeft van SEV-MOTOROLA, SEV-MARCHAL, MOTOROLA (USA) en Valeo type NGM (PERKINS, BMW en BUKH), dan moet de compensatie plaatsvinden in de rode draad van de regelaar. In die draad komt een compensatiediode volgens bijgaande schets, of U neemt de rode draad los van de aansluiting op de velddioden (of D+/REG) en verbindt hem aan de compensatiediode in uw diodeblok. Let hierbij wel op, dat U de controlelamp van het dashboard aangesloten laat op de D+ aansluiting van de dynamo. Een aantal oudere VOLVO PENTA-motoren met SEV-Marchal dynamo, heeft al een rode diodenbrug voor twee accu's op de dynamo.
Bij VOLVO PENTA-motoren met VALEO (Paris-Rhone) alternators type A13N en A14N, neemt U de gele regelaardraad los van de B+ aansluiting van het achterschild van de dynamo. U sluit deze draad aan op de compensatiediode van de diodenbrug. LET OP: een aantal oudere Volvo Penta motoren is uitgerust met een regelaar op deze dynamo's, waarbij U i.p.v. het verplaatsen van de gele draad, een brugje in de regelaar kunt doorknippen. Ook heeft VOLVO als accessoire een opgebouwde diodenplaat van VALEO, waarbij een diodenbrug niet hoeft te worden aangeschaft. Sommige motoren hebben op de dynamo de diodenbrug reeds zitten en hoeft er alleen maar een tweede laadstroomdraad voor de lichtaccu te worden aangesloten. Vergeet niet de bruine draad weer te monteren op de plaats waar hij zat; dit is de D+ draad voor de laadstroom-controlelamp.
JAPANSE motoren met MITSUBISHI en HITACHI dynamo's met ingebouwde regelaar, kunnen slechts voor een diodenbrug geschikt gemaakt worden door een ingreep in het inwendige van de dynamo. Het beste kunt U dat aan een vakman overlaten of dit in overleg met TOP Systems b.v. laten uitvoeren. Eenvoudiger is het om op deze dynamo's een scheidingsrelais aan te sluiten op de "L"-aansluiting van de dynamo. U vindt dit omschreven bij de scheidingsrelais'.
Oudere dynamo's van MITSUBISHI met een losse regelaar kunnen wel eenvoudig geschikt gemaakt worden voor het gebruik met een diodenbrug. De regelaar heeft een zes-voudige stekker. De aansluiting "A" (meestal witte draad) is de sensordraad voor de regelaar. U neemt deze draad los van de dynamozijde en sluit hem aan op de compensatiediode van een diodenbrug. Deze dynamo's hebben vaak een zeer beperkt vermogen, zodat je je altijd af moet vragen of het wel zin heeft veel accu's met zo'n dynamo te laden.
LISTER/PETTER en FORD-motoren van recente datum met de LUCAS alternator type 17ACR van 45 Ampère 12- en 24 Volt hebben aan de regelaar een gele draad. Die draad zit met een faston stekker aan de D+ aansluiting van de dynamo vast. Met een punttang neemt U de gele draad los. Een andere manier is de gele draad los te nemen en hem aan te sluiten op de compensatiediode van de eerder genoemde speciale diodenbruggen. De D+ draad blijft waar hij zat.
Oudere typen LUCAS dynamo's van 35 Ampère 12- en 24 Volt, zoals gemonteerd op Ford en Leyland motoren kunt U beter niet voorzien van een diodenbrug. Zij zijn werkelijk te zwak om twee accu's te laden. Deze dynamo's kunt U in zo'n geval beter vervangen, omdat ze op den duur te heet zullen worden en defect raken.
Er zijn zeer degelijke dynamo's van LUCAS/CAV in omloop met een losse regelaar type 440 en 548. Op deze regelaar treft U drie faston stekkers aan met de aanduiding "HI", "MED" en "LO". Één van die drie aansluitingen is maar in gebruik. Monteert U een diodenbrug, dan hoeft U alleen maar de sensordraad van de dynamo om te stekkeren van "MED" of "LO" naar "HI". De regelaar heeft dan een voldoende hoge spanning voor het overwinnen van de spanningsval van de diodenbrug.
LUCAS/CAV dynamo's met ingebouwde regelaar type 547 en 543 hebben aan de regelaar een rode sensor-draad. In andere gevallen moet U deze draad losnemen van de dynamo en aansluiten op de compensatiediode in de diodenbrug.
Installaties met de PLUS AAN MASSA kunnen niet worden voorzien van onze standaard SurePower diodebruggen. De SurePower diodenbruggen zijn bedoeld voor installaties, waar de diodenbrug in de plus geleider van de dynamo wordt geplaatst. Voor laadstromen groter dan 120 Ampère, moet een custom-built diodenbrug worden vervaardigd.
Hoewel naar beste weten samengesteld, kunnen TOP Systems b.v. en de verstrekker van deze tekst geen aansprakelijkheid aanvaarden voor onjuiste aanpassingen en schade, als gevolg van toepassing van bovenstaande informatie.
ACCULADERS EN DIODENBRUGGEN
Een diodenbrug kan goed gebruikt worden met een aantal batterijladers. In het algemeen kunnen we stellen, dat de lader een IU karakteristiek moet hebben en dat de ingestelde spanning van de lader voor een diodenbrug kan worden versteld.
De accu-laders van VICTRON (Pallas 12/50, Skylla’s) hebben voor het gebruik van een diodenbrug een jumper op de print. Raadpleeg Uw handleiding voor het gebruik van die jumper. Gebruik in die gevallen ook altijd de jumper, omdat met het verzetten van de jumper niet alleen in één keer de juiste spanning wordt ingesteld, maar ook een paar nare bijverschijnselen worden voorkomen. Wij komen hier later op terug.
Andere automatische laders met IU karakteristiek hebben vaak een instelpotentiometer voor de eindspanning van de lader. Indien Uw lader is af te regelen, dan moet de laadspanning ongeveer 0,6 Volt worden verhoogd. Daarnaast moet op de uitgang van de lader een speciaal soort condensator van ongewoon groot formaat worden aangesloten. De condensator dempt de gelijkgerichte spanning, waardoor schade aan de accu's wordt voorkomen. Het voert te ver om daar in deze tekst op in te gaan. Afhankelijk van Uw lader, kan TOP Systems b.v. U hierover informeren.
Gaat U er maar vanuit, dat U in de overige -niet genoemde- gevallen geen diodenbrug met uw acculader moet gebruiken. Vragen? Bel de Energielijn: (0172) 65 07 37 |